63% van de ouders op een wachtlijst heeft al een opvangplek voor hun kind. Dat blijkt uit recent onderzoek van Ipsos/I&O in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De resultaten nuanceren het beeld dat er schaarste bestaan in de kinderopvang.
Drie groepen ouders op een wachtlijst
Het onderzoek wijst uit dat ouders grofweg in drie groepen kunnen worden onderscheiden.
De grootste groep bestaat uit ouders van wie het kind al naar de opvang gaat, maar die wachten op iets anders, zoals een andere locatie, een extra dag of een plek die beter aansluit bij de gezinssituatie. Het kind is in dit geval dus al opgevangen, maar ouders blijven bewust op de wachtlijst staan.
In de tweede groep zitten ouders die zich preventief inschrijven, terwijl opvang nog niet nodig is aangezien het kind nog niet geboren of te jong is voor dagverblijf.
De derde groep is het kleinst, maar het meest urgent. Dit zijn de ouders die direct opvang nodig hebben, maar er niet in slagen die te vinden. Hierdoor zijn zij vaak genoodzaakt minder te werken, ongewenst thuis te werken, of andere hulp te vragen van bijvoorbeeld opa's en oma's. Dit is de groep die het meeste misloopt; persoonlijke- en carrièrekansen, inkomsten en vrije tijd.
Het ontbrekende onderscheid
Al deze situaties vallen uiteindelijk onder dezelfde naam, de wachtlijst. Het daadwerkelijke tekort is daardoor moeilijk in kaart te brengen. Het verschil tussen ouders die al opvang hebben en ouders die per direct opvang nodig hebben maar het niet kunnen vinden wordt niet laten zien in de cijfers.
De kwestie gaat erom of we de wachtlijst moeten veranderen om dit beter in kaart te brengen. Mogelijke opties zouden kunnen zijn om te differentiëren tussen deze situaties, een nood- en wens-wachtlijst in te voeren, of een categorie 'reservering' te creëren voor kinderen die nog geen opvang nodig hebben.
Bekijk hier het onderzoek van Ipsos I&O.